logo jacob israel de haan
logo jacob israel de haan

Ik ben zo moede. Ik denk aan hen, die waren

Met mij knapen in ene blijde klas.

Weer daalt een jaar. De bruine en gele blaren

Dwarrelen in het gras.

ROB DELVIGNE

EEN SONNET EN EEN OLIJFBOOM VOOR MAX JOOSTEN


Op 20 september 1913 stuurde Jacob Israël de Haan een prentbriefkaart aan Georges Eekhoud vanuit Almelo (‘Ingang Graven-Allée’): ‘Lieve meester, ik ben op reis. Maar ik ga misschien weer gauw naar Rusland’.

Wat deed De Haan in Almelo? Hij bezocht er Jules Hedeman en zijn familie die er een textielfabriek had. De Haan zou samen met deze befaamde joodse journalist naar Rusland vertrekken om van het erbarmelijke lot van de vele joodse administratieve gevangenen verslag te doen. Uiteindelijk ging De Haan toch in z’n eentje. Jules Hedeman was in 1911 tot Fransman genaturaliseerd en sneuvelde op het Franse slagveld (‘de hel van Verdun’) in 1916.

Door het huwelijk van Dientje Hedeman met een Joosten, was op het familiefeest ook Sander Joosten aanwezig, vader van Max en Hugo. Eerder dat jaar publiceerde De Haan een gedicht in De Joodsche Wachter (21 april 1913) voor Max Joosten (opgenomen in de bundel Het joodsche lied, 1915), ter gelegenheid van diens barmitswo. In hetzelfde weekblad stond een verantwoording van f 3,60 van Mr. Jacob Israël de Haan voor het planten van een olijfboom in het Herzlwoud op naam van Max Joosten. Kort daarvoor, op 23 maart 1913, had vader dr. S. Joosten uit Enschedé een olijfboom laten planten op naam van Mr. Jacob Israël de Haan (afb. in Jaap Meijer: Onze taal als een bare schat, 1981 p, 17).

Aan Max Joosten

(met eenen olijfboom)


Wat kan ik u, mijn Makker, beter geven

Dan een olijfboom in het Heilig Land,

Waar ons oud volk, herboren tot nieuw leven,

Woud en weiden wekt uit verstorven zand?

Ik kwam, vreemde, tusschen uw vaders vrienden,

En zat beschroomd aan 't feestlijk middagmaal,

Schuwe schroom week voor vaders milde taal,

Waarlijk meer dan mijn lot en lied verdienden.

In 't huis van uw vader vond mijn hart vrede

Van wrekende wroeging en bange jacht,

Weinig dank zijn wel mijn Boom en mijn bede:


Mogen uw oogen 't zien: de vaste macht

Van ons vrij volk, dat eeuwen heeft geleden,

Maar lijdend won in wil en kalme kracht.



Vader en zoon Joosten en Jacob Israël worden genoemd in De Joodsche Wachter van 7 april 1916, in het verslag van een zionistisch propaganda-feest in Hengelo op 19 maart 1916: ‘Dr. S. Joosten droeg gedichten van Jacob Israël de Haan voor. De heeren Max Joosten en Carel Weyl […] speelden viool’. De Haan besprak een brochure van S. Joosten over Palestina en het Hebreeuwsch in De Beweging van april 1916 (genoemd in Onze taal als een bare schat, 1981 p, 16, 18; met een voetnoot van Jaap Meijer op p. 162: ‘De arts S. Joosten was een der eerste Nederlandse zionisten die Palestina destijds bezochten’). De Haan:

‘Palestina en het Hebreeuwsch: deze zijn de twee machten, die het Joodsche Volk als een volk behouden hebben. En wij zijn trotsch genoeg op ons Jodendom om hierbij te voegen: “tot heil van veel andere volken”. Wij hebben de heugenis aan Palestina twintig eeuwen bewaard. Wij hebben de Hebreeuwsche Taal twintig eeuwen bewaard. […] Gij moet het geluk niet gering achten door eenen Joodschen jongen te worden aangesproken in een vlot en vloeiend Hebreeuwsch. En dan te verstaan. En te kunnen antwoorden schoon moeilijk en schuchter. […] Wat een Volk doorleeft wordt het sterkst doorleefd in zijne Dichters. En in alle landen der ballingschap spreken zij het uit, die in deze drijvende tijden waarlijk de Dichters van hun Volk zijn: ‘Een land, één taal: Palestina en het Hebreeuwsch.’ (De Beweging 1916, dl. 2 p. 79)

In de feuilletons die De Haan vanaf 1919 in Het Algemeen Handelsblad vanuit Palestina publiceerde, komt de naam Joosten op 16 december 1922 voor. De Haan neemt uit het bezoekersboek van het ziekenhuis Poorten der Gerechtigheid in Jeruzalem enkele namen over, waaronder die van ‘Dr. Joosten uit Enschede’, S. Joosten dus. Het is dit ziekenhuis, waar De Haan in 1924 werd binnengedragen na de aanslag die hem zijn leven kostte.

De voornaam Max komt voor in het feuilleton van 2 juli 1919, waarin De Haan herinneringen ophaalt aan de sabbat in Amsterdam: ‘Weten de kleine Georges en de groote Max nog, hoe dikwijls wij des Zaterdagsmiddags het licht en de schaduw hebben bewonderd van den Amstel en van de Prinsengracht?’. De editeur van de feuilletons Ludy Giebels tekent hierbij aan: ‘Misschien Max Joosten, met wie hij in zijn laatste jaren in Amsterdam veel omging’. Dan zou Georges Georges-Maurice van Hamel kunnen zijn, aan wie De Haan in Het Zondagsblad van Het Volk op 6 december 1903 een St. Nicolaasversje opdroeg en in De Amsterdammer van 29 juli 1906 een stukje proza over ‘Het vinkenvogeltje’. Het Zwitserse chalet van de familie Van Hamel was vernoemd naar Georges-Maurice, waar Arnold Aletrino als aangetrouwd familielid zijn laatste levensjaren sleet. Max Joosten was van 1899, Georges van 1900, dus leeftijdgenoten.